Le noir
sera vert

Ik stap door de Rue Joseph Wauters, net buiten het centrum van Charleroi. Aan de linkerkant staan arbeidershuizen netjes in het gelid. Aan de rechterkant staat een eindeloze bakstenen muur met erachter een groot park, of iets wat daarop lijkt.

Achter een voetbalveldje zit een gat in die oude muur. Een paadje leidt me door het uitbundige groen. Ik wandel op het terrein van een steenkoolmijn die in 1938 al sloot. Alle gebouwen zijn verdwenen. Wat rest, is de terril. Alles wat uit de grond kwam en geen steenkool was, vormde een hoopje van uiteindelijk 70 meter hoog.

De natuur hulde de zwarte berg beetje bij beetje in het groen. Mossen en grassen pionierden; vlier-, vlinder-, brem- en braamstruiken volgden. Dan kwamen de berken en populieren. Hier en daar vond een eik vaste grond.

Houten treden leiden me naar de top van de terril. Daar wijken de bomen wijken en is het zicht wijds. Het rozige zonlicht en een scherpe oostenwind kondigen het einde van een lentedag aan.

Overal aan de horizon zie ik terrils. Als uitgedoofde vulkanen rijzen ze op uit het landschap. In hun schaduw nestelden zich arbeiderswijken en fabrieken. Hier en daar hield een weide of een akkertje moedig stand. Elders werd het land dichtgesmeerd met wegen en woonwijken. Langs het kanaal wordt de gigantische site van de hoogovens van Carsid ontmanteld. Grijsgroen braakland duidt de plaatsen aan waar fabrieken al eerder verdwenen. Dit landschappelijke rommeltje getuigt van een stormachtige industriële groei en een bruusk verval.

Ik lees het landschap en zie het jaar 1670. Op het zeshoekige binnenplein van de citadel van Charleroi paraderen soldaten in kleurrijke uniformen. Charleroi is een klein vestingstadje, zonet uit de grond gestampt als bolwerk tegen een mogelijke Franse inval. Deze vroege geschiedenis laat zich nog aflezen in het stratenpatroon rondom de zeshoekige Place Vauban, het centrale plein van Charleroi.

Dan zie ik het jaar 1780. Rondom Charleroi wordt op kleine schaal steenkool gewonnen. Mijnwerkers graven tot het grondwater de schachten vult. Ook in Engeland verhindert dat grondwater een diepere exploitatie. Knappe koppen ontwerpen er de eerste stoommachines om water uit de mijnen te pompen. Minder water maakt meer steenkool maakt meer stoom maakt meer steenkool maakt meer stoom. De industriële revolutie komt eraan en zal de geschiedenis van Charleroi sturen.

Ik zie het jaar 1840. Toekomstige directeuren haasten zich met grote stappen door de akkers rondom de stad. Met nog grotere armgebaren tonen ze waar mijnen en fabrieken zullen oprijzen. Ze lachen, stappen in hun koetsen en steken sigaren op. Het leven zal beter worden, roept een van hen naar een boer die zijn pet afneemt voor de stoet die vooruitgang zal brengen. Het klein vestingstadje zal snel uitdijen, onstuimig, ongedurig, en zonder veel regels.

Ik zie het jaar 1880. Een dikke bijna tastbare smog hangt boven het land van Charleroi, met haar mijnen en fabrieken en haar Vlaamse boerengezinnen op zoek naar werk. De zon heeft moeite om door de smog te branden maar tekent nog net het silhouet af van een vrouw op een terril. Achter haar sjokken haar drie kinderen. Tussen het steengruis zoeken ze naar steenkool die in de kolenwasserij niet werd gesorteerd. Voor een volle mand krijgt ze net genoeg geld om de honger te stillen. België is een economische wereldmacht. De arbeiders betalen de prijs.

Ik zie het jaar 1960. Burgemeesters en schepenen duwen hun hoornen brillen wat vaster op hun neuzen en deppen het zweet van hun slapen nadat ze lintjes van stadssnelwegen, metrolijnen en supermarkten knipten. De speeches beloven gouden tijden maar de neergang heeft zich al ingezet. De werkomstandigheden zijn veel beter maar de fabrieken trekken weg.

Ik hoor het jaar 2025. Twee vrolijke stemmen komen dichterbij. Het zijn Celina en Thaïna, twee jonge vrouwen uit de buurt die voor het eerst de Terril de Piges opstappen. Zij kijken met een andere blik naar de omgeving. Voor hen zijn de terrils en de verlaten fabrieken restanten uit een verre prehistorie, die van geen tel is voor hun toekomst.

Charleroi heeft een onweerstaanbare aantrekkingskracht op fotografen. Vaak portretteren ze de stad in zwart-wit, alsof het niet anders kan. In die reeksen is geen plaats voor het frisse groen en een vrolijke lach bovenop een terril. Un jour, le noir sera vert.