Le noir
sera vert

Ik ben geboren en getogen in Tienen, de suikerstad. Daarom word ik blij van gesprekken over suikerklontjes, ook, of zelfs nog meer,  als die in Iran plaatsvinden.

Ik reis alleen en behoorlijk onvoorbereid naar Iran. Spannend, maar oplosbaar. Ik zal me een uur of zes op 10.000 meter hoogte bevinden en dat blijkt voldoende om een reisplan uit te dokteren. Het reisplan houdt in dat ik vier van de tien hoogtepunten uit de Lonely Planet wil afvinken in een later te bepalen volgorde.

Een gesprek over suikerklontjes had ik niet opgenomen in het plan. De Lonely repte er ook niet over. Dat dit gesprek wel degelijk gevoerd is geworden, is te wijten aan het toeval, of anders is er is een suikergod in het spel, die het goed voorheeft met de zonen die de suikerstad uitstuurt.

Na drie dagen laat ik de versmachtende drukte van Teheran achter me. Op een immense busterminal met alleen maar Arabische opschriften vraag ik mij een weg naar de bus naar de stad Quazvin. Ik wil niet onbeleefd zijn maar hou het wel kort. Quazvin? Quazvin? Quazvin? Telkens ik mijn vraag herhaal, trek ik mijn wenkbrauwen wat hoger. Een vriendelijke Iraniër knikt elke keer wat harder om me te verzekeren dat we naast de bus naar Quazvin staan. Ik wil uitdrukken dat ik mij Iraanse gesprekspartner vertrouw en nu zeker weet dat we naast de bus richting Quazvin staan. Quazvin! zeg ik, zonder enige twijfel of vraagstelling in mijn zin. De vriendelijke Iraniër antwoordt toch, zelfs al was hij daar grammaticaal niet toe verplicht. Zijn antwoord klinkt vaderlijk geruststellend en sluit ons gesprek af als een volmaakt slotakkoord. Quazvin, zei hij. 

De reis (naar Quazvin) verloopt voorspoedig. Het is maar een uurtje of twee rijden op een perfecte snelweg, maar toch is halverwege tijd voor een lange sanitaire stop. Ik neem een foto van een witte auto met erachter een steenwoestijn. In de bus, kijk ik tevreden naar de foto op het scherm van mijn fototoestel. 

 Ik reis met een smartphone maar zonder internet. In Quavin vind ik een hotel, via een stadplan in de reisgids. Ik slaap goed, vertrek en bedenk me dat ik het cashgeld waarmee ik deze reis moet klaren nog 

Ik loop verloren in Quazvin, en voel me nog veel verlorener. Ik lijk de enige toerist tussen 400.000 Iraniërs te zijn. De instructies van de Lonely Planet om een bus naar de Alamutvallei te nemen zijn achterhaald en niemand lijkt te weten hoe ik er moet geraken.

Ik voel me moedeloos maar schiet wakker wanneer 
iemand mij van aan de overkant van een drukke straat toewuift. Het gebaar overvalt me als een deken van troost. Iemand ontfermt zich over mij.

De wuivende man is is Rasoul, een jonge Iraniër die zichzelf feilloos Engels aanleerde, een hostel uit de grond stampte in de Allumutvallei en  tussen 1000 Iraniërs die ene moedeloze toerist kan ontwaren.

Rasoul kribbelt wat instructies voor een taxichauffeur op een papiertje. Tien minuten later zit ik in een busje dat gezapig een col op tuft om daarna af te dalen naar de Alamutvallei. Rasoul gaat ons voor op zijn brommer. In het busje worden dadels gedeeld, en verwante woorden in het Perzisch en het Nederlands. Onze gemeenschappelijke proto-Indo-Europese taalgeschiedenis maakt van ons bradrvolkeren, toch.

De alamutvallei is prachtig. Ik wandel over smalle dijkjes tussen de rijstvelden. Het is een felgroen stukje paradijs omringd door bruingeel van de bergen rondom. Ik ben de enige gast in het hostel. Handiger toch dat wat verderop een paar dagen bij de familie van Rasoul intrek toch. De volgende twee dagen verken ik de vallei en dan wil de toerist weer verder, naar het noorden, naar de Kaspische zee.

Vijftig kilometer, meer kan het het niet zijn. In vogelvlucht althans, want tussen de Alamutvallei en de Kaspische zee ligt het Albrozgebergte. De bergpas die erover leidt, wordt na elk dorp een steeds minder asfaltweg, om eenmaal het laatste dorp gepasseerd, als stenig geitenpad zijn hoogste punt te bereiken.

Maar Rasoul en zijn Chinese brommer zijn van geen kleintje vervaard en zo zit ik de volgende twee dagen achterop bij Rasoul op de brommer voor een tweedaagse lift richting Kaspische zee.

Aan de zuidkant is het Alborzgebergte een woeste droge rotswereld en schieten de keien onder het achterwiel verder, als Masoud zich naar boven manoevreert.

Bovenop de bergpas, verandert de wereld. De vochtige lucht van de Kaspische Zee stolt als een wollig deken tegen de hoogste toppen en voedt een uitbundig groen landschap. Hogerop naaldbossen, dichter